Ervaring

Nachtuil zijn voordat het internet bestond

Er was een tijd, ver voor het internet, dat de nacht nog een grens had.

Tegenwoordig zuigt de nacht je moeiteloos op. Je zit achter een scherm, dwaalt door eindeloze tijdlijnen, klikt toch nog dat éne filmpje aan, beantwoordt een berichtje, en voor je het weet ben je verdwenen in de digitale ruis en is het drie uur.

Maar ik herinner me nog scherp hoe het voelde toen de wereld ’s nachts nog écht offline ging.

Een wereld zonder nachtelijke ontsnappingsroute

We hadden geen eigen computer op onze kamers. Geen smartphone die licht gaf in het donker. Toen ik op mijn veertiende mijn eerste mobieltje kreeg, was sms’en een dure grap en internet bestond er nog niet op. Bovendien was er ’s nachts simpelweg niemand bereikbaar.

Later kregen we wel een gezinscomputer, maar die stond beneden in de woonkamer: verboden terrein als de rest van het huis sliep.

Je werd niet de hele nacht door digitale prikkels wakker gehouden. Je was overgeleverd aan de stilte.

Biologisch geprogrammeerd

Zonder al die afleiding zou je verwachten dat ik vanzelf in slaap viel. Maar nee. Ik was toen ook al een onvervalste nachtuil. De slaap vatten voor middernacht was een utopie. Achteraf is dat misschien wel het bewijs dat mijn ritme gewoon biologisch is, en geen modern bijproduct van het schermtijdperk.

Maar als er niets te scrollen viel, wat deed ik dan in die eindeloze, stille uren?

Lezen, prutsen en de nacht in sneaken

Ik las. Ik dacht na. Ik staarde uit het raam naar de uitgestorven straat. Soms sloop ik stiekem het huis uit.

Later, toen ik het uitgaansleven ontdekte, verschoof mijn ritme nóg verder. In die tijd kwam de nacht in de clubs immers pas na elven echt tot leven.

Maar als ik thuis was, vulde ik de stilte met zachte muziek. Ik hield van die diepe rust. Niemand die iets van je verwacht, geen berichten die knipperen, geen reacties die getypt moeten worden.

Het was alsof de wereld pauzeerde en de tijd exclusief van mij was.

Ochtendmensen beweren vaak dat ze dit ervaren in de vroege uren, als de wereld nog moet ontwaken. Voor mij bestond die magie aan de donkere kant van de klok.

De eenzaamheid van de analoge nacht

Toch was de nacht toen eenzamer. Zowel in de goede als de slechte zin van het woord. Er was geen internet als hulplijn. Geen gelijkgestemde nachtdieren aan de andere kant van de oceaan met wie je kon chatten.

Je was gewoon wakker, en de rest van de wereld sliep.

Natuurlijk zaten we niet in het pikkedonker te wachten op de zon. Ik deed een schemerlamp aan en ging prutsen. Oude klokken en radiootjes uit elkaar schroeven om te ontdekken hoe de wereld in elkaar zat, en ze dan weer in elkaar proberen te zetten.

Technisch en creatief bezig zijn. Dat is iets wat ik nog steeds graag doe, al slokken online projectjes nu veel sneller de uren op.

Terug naar de offline nacht

Ergens kriebelt het om die wereld weer eens op te zoeken. Een nachtuil zijn zonder wifi.

Misschien val ik dan eindelijk sneller in slaap. Maar misschien ook niet. Misschien vind ik oude hobby’s terug. Misschien pak ik weer een papieren schriftje in plaats van meteen een zoekmachine te openen.

Ik kan weer verfkleuren gaan mengen bij zwak schemerlicht, om de volgende ochtend in het felle daglicht te ontdekken dat de kleuren totaal anders zijn uitgevallen dan ik dacht.

Of ik ga gewoon wandelen in het donker, iets wat ik sinds mijn veertiende stiekem altijd ben blijven doen.

Ik weet niet precies wat er gebeurt als ik de nacht weer eens helemáál alleen laat zijn. Het internet is natuurlijk een fantastische uitvinding voor nachtuilen; je bent nooit meer alleen en de mogelijkheden zijn eindeloos.

Maar tegelijkertijd sluimert het besef dat je in die constante digitale verbinding misschien ook iets kwijtraakt. Iets van je kern. De persoon die je was in het holst van de nacht, in een wereld die simpelweg offline ging.

Hi, I’m nicolegeene@gmail.com

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *